Context


Het DTO programma is begin jaren negentig ontstaan. In die tijd was men pessimistisch over de mogelijkheden van technologie. 'Milieu' stond hoog op de agenda van de politiek. Deze context kan worden geïllustreerd met drie rapporten, die tegelijk als aanleiding te zien zijn voor DTO: het Brundtlandrapport (1987), het rapport van de CLTM en van het NMP (1989).


 


Twee belangrijke initiatiefnemers (prof.dr.ir. J.L.A.Jansen en prof.dr. Ph. J. Vergragt) van het DTO-programma namen juist technologie als uitgangspunt voor duurzame ontwikkeling. Daarbij hielden ze er rekening mee dat ook culturele en structurele factoren van belang zijn. Jansen en Vergragt hebben de handen in elkaar geslagen voor deze vernieuwende aanpak in een tijd waarin de woorden 'systeeminnovatie' en 'transitie' nog vrijwel onbekend waren. Met hun ervaring en persoonlijke netwerken, opgebouwd in bedrijfsleven, politiek en academische wereld, konden ze voldoende steun verwerven voor een onderzoeksprogramma naar duurzame technologieontwikkeling, dat uitgaat van een verre tijdshorizon en een grote sprong in duurzame ontwikkeling.


Chronologie

Voorafgaand aan het programma vond een aantal stappen plaats. De eerste was een informele ronde langs allerlei sleutelfiguren, inclusief de departementen. Hierna volgde een formele ronde in de interdepartementale werkgroep. Na deze ronde werd het programma goedgekeurd door de ministeries en ging het programma van start.


Werkwijze en lijnen in het programma

Om de weg naar een duurzame samenleving overzichtelijker te maken, heeft DTO een aantal maatschappelijke behoeften onderscheiden: voeden, verplaatsen, water, huisvesten en chemie. Op die terreinen zijn hedendaagse en toekomstige technologische problemen geïnventariseerd, op basis van literatuurstudie, onderzoek, interviews en workshops. Op basis daarvan zijn vijftien onderwerpen geselecteerd die verder zijn uitgewerkt. Deze onderwerpen dienen als experimentele voorbeelden van de manier waarop duurzame technologie ontwikkeld en verspreid kan worden. Deze experimenten werden 'illustratieprocessen' genoemd en stonden onder begeleiding van een projectleider en een projectcoördinator. In een illustratieproces werden zowel technologische als maatschappelijke, economische en milieu-aspecten bekeken. Deze brede aanpak onderscheidt zich van andere technologieprogramma's. Een illustratieproces bestond niet alleen uit onderzoeksactiviteiten, maar ook uit een deel dat zich richtte op overname van de geschetste activiteiten (zoals onderzoek naar de ontwikkeling van benodigde technologieën) door derden. Dit kunnen bedrijven zijn, maar ook maatschappelijke organisaties, overheden, universiteiten of onderzoeksinstituten. Er werd naar gestreefd dat deze partijen bij de overname een scenario voor toekomstige activiteiten ontvangen, zodat ze vrijwel direct aan de slag kunnen.